Medehuur

Medehuur

 

Moeder woont samen met haar zoon, zijn partner en hun twee kinderen in een huurwoning die de moeder van Volksbelang huurt. Nadat de moeder in april 2005 is opgenomen in een zorgtehuis vraagt de zoon een jaar later het medehuurderschap aan bij Volksbelang. In november 2006 komt de moeder te overlijden.

 

Zaak komt voor de kantonrechter

 

De zoon en zijn echtgenoot vorderen bij de kantonrechter het medehuurderschap. Deze vordering wordt afgewezen. Door middel van een kort geding krijgt Volksbelang het voor elkaar dat de huurwoning wordt ontruimd.

 

De zoon en zijn partner gaan in hoger beroep bij het Hof Den Bosch.

 

Oordeel Hof Den Bosch


Het Hof stelt voorop dat het belang van de zoon bij het hoger beroep alleen is gelegen in de vergoeding van proceskosten omdat de woning inmiddels is ontruimd.
Daarnaast beoordeelt het Hof de vraag of de zoon en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben in de zin van artikel 7:268 BW. Volgens het Hof eindigt een gemeenschappelijke huishouding bij een opname van de huurder in een verpleeghuis niet meteen, maar pas na enige tijd.

Het Hof meent dat er sinds de opname van de moeder in april 2005 zodanig veel tijd is verstreken, dat er geen sprake meer is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van moeder en zoon.

 

De zoon gaat in cassatie bij de Hoge Raad.

 

Oordeel van de Hoge Raad


De Hoge Raad oordeelt in de eerste plaats dat de zoon een belang heeft bij de cassatieprocedure. Dat belang is niet alleen gelegen in de proceskosten maar ook in schadevergoeding vanwege wanprestatie door de verhuurder vanwege de ontruiming.

Daarnaast beoordeelt de Hoge Raad de vraag of de lange tijd die is gelegen tussen de opname van de moeder in het zorgtehuis (april 2005) en het verzoek van de zoon om medehuurderschap (april 2006) van doorslaggevend belang is. De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 7:268 lid 2 BW de strekking heeft om de 'samenwoner' die geen medehuurder is te beschermen bij overlijden van de huurder. Het gaat te ver om aan de toepassing van het artikel de eis te stellen dat de gemeenschappelijke huishouding heeft voortgeduurd tot (kort voor) het overlijden van de huurder.

 

De enkele omstandigheid dat de 'samenwoner' ten tijde van het overlijden van de huurder reeds kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer voerde met de huurder omdat laatstgenoemde wegens ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in een zorgtehuis, brengt niet mee dat het verzoek om medehuurderschap moet worden afgewezen.

 

Waarom relevant?

 
Een samenwoner kan 6 maanden na overlijden van de huurder een vordering instellen bij de kantonrechter. Zolang op die vordering niet onherroepelijk is beslist, loopt de huurovereenkomst door. In dit verband is het vreemd dat de ontruiming van de zoon in kort geding is toegewezen omdat de huurovereenkomst niet was beeindigd.

 

Verder blijkt uit het arrest dat de Hoge Raad het begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding in artikel 7:268 BW ruim interpreteert. 

 

Vragen?


Neem gerust contact op met mr. Menachem de Jonge, advocaat huurrecht tel. 030 – 231 35 23.



vorige pagina


STEL EEN VRAAG

Heeft u ook een juridisch probleem? Wacht niet te lang en stel ons uw vraag!

STEL UW VRAAG:


TELEFONISCH

Vul uw naam en telefoonnummer in.
U wordt op werkdagen binnen 24 uur
teruggebeld door een advocaat.




ONLINE

Stel uw vraag via het formulier.


> Reacties cliënten
> Lage kosten
> Pro deo advocaat
> Over Hulpbijhuren.nl
> Onze missie
> Actueel
> Privacy en disclaimer
> Algemene voorwaarden
> Linkpartners